In deze logboekenreeks volgen we programmaleiders die actief bijdragen aan de ontwikkeling van onderwijsregio’s. In drie opeenvolgende gesprekken delen zij hun ervaringen met veranderende samenwerking, governance en kwaliteitsontwikkeling binnen Samen Opleiden. Zo ontstaat een rijk beeld van hoe partnerschappen zich positioneren in het bredere veld van regionale samenwerking.
In deze tweede aflevering van het logboek blikken Gert van der Horst, hogeschoolhoofddocent Samen Opleiden bij de lerarenopleidingen van Hogeschool Windesheim, en Manja Smits, programmaleider van Opleidingsschool De Grift in Apeldoorn, terug op een periode van verandering. Waar het eerste logboek vooral ging over de diversiteit aan partnerschappen en de interne herstructurering bij Windesheim, gaat het gesprek nu over de gevolgen van bezuinigingen, de invoering van de nieuwe subsidieregeling en het herontwerp van partnerschappen binnen de onderwijsregio’s.
Samen verkennen zij hoe kwaliteit en continuïteit van Samen Opleiden geborgd kunnen blijven in een context van financiële druk, bestuurlijke herschikking en toenemende samenwerking over sectoren heen. De rode draad: koers houden op de kern van het Samen Opleiden en blijven verbinden, ook als de omstandigheden veranderen.
Sinds het vorige gesprek is er veel veranderd. De komst van de nieuwe vierjarige regeling bracht beweging én onzekerheid. Gert: “De regeling heeft veel in gang gezet. We moesten opnieuw nadenken over wat we écht belangrijk vinden en wat dat betekent voor onze projectplannen.” De nieuwe regeling leidde tot flinke werkdruk. Programmamanagers en praktijkbureaus moesten plots gegevens aanleveren, studenten tellen en dubbeltellingen voorkomen. “Er zat ineens enorme druk op de ketel,” vertelt Manja. “We moesten bellen met andere instituten om studentnummers te achterhalen. Het ging in een tempo dat niet past bij het ritme van een partnerschap.”
Die druk werd versterkt door de bezuinigingen. Opleiders kregen minder uren, programmaleiders minder inzet. “We moesten gaan schrappen in dingen die we juist waardevol vinden,” zegt Manja. “Inspiratiesessies, ontwikkeltijd, themadagen — dat zijn de momenten waar Samen Opleiden van leeft.” Gert ziet dat terug op meerdere plekken: “De ‘samen’ van Samen Opleiden staat onder druk. Als je minder tijd hebt, wordt het al snel centraal geregeld, en dan ga je richting een instituutsmodel. Terwijl juist de ontmoeting en het eigenaarschap in de scholen de kwaliteit dragen.”
We moesten gaan schrappen in dingen die we juist waardevol vinden. Inspiratiesessies, ontwikkeltijd, themadagen — dat zijn de momenten waar Samen Opleiden van leeft.
De bezuinigingen dwingen tot reflectie op wat écht essentieel is. “Het heeft ons wel scherper gemaakt,” zegt Manja. “Wat is de kern van Samen Opleiden? Wat maakt het betekenisvol voor studenten, voor scholen, voor opleiders? Dat gesprek voeren we nu opnieuw.” Hoewel de dagelijkse praktijk onder druk staat, zien ze ook veerkracht. Scholen nemen vaker gezamenlijk verantwoordelijkheid voor begeleiding. “We hebben minder tijd, maar de bereidheid om het samen te doen is gebleven,” vertelt Manja. “Dat vind ik hoopvol.”
Gert vult aan: “Het Kwaliteitskader Samen Opleiden helpt om focus te houden. Het dwingt ons breder te kijken dan alleen de organisatie: wat betekent kwaliteit voor de professionalisering van iedereen die meedoet?” Die verschuiving is zichtbaar in de praktijk. Binnen De Grift denken schoolopleiders samen na over begeleiding, leerlijnen en inductie. “We willen niet terug naar losse stageplekken,” zegt Manja. “Het gaat juist om dat gezamenlijke leerproces.”

De samenwerking tussen Windesheim, de Radboud Docenten Academie en de negen scholen van de Veluwse Onderwijsgroep binnen Opleidingsschool De Grift is een voorbeeld van verbinding over sectoren en regiogrenzen heen. Het partnerschap omvat scholen van vmbo tot gymnasium en werkt nauw samen met het mbo, speciaal onderwijs en zelfs hogescholen buiten de regio. Manja: “Wij hebben de structuur staan, en die is flexibel genoeg om ook andere partners aan te laten haken. Bijvoorbeeld het mbo — daar ligt echt een kans. Studenten zijn enthousiast als ze op meerdere plekken ervaring kunnen opdoen.” Gert vult aan: “In het oosten en noorden zie je dat sectoren steeds meer naar elkaar toe bewegen.
Dat is ook nodig om de lerarenopleidingen toekomstbestendig te houden.” Volgens beiden levert deze sectoroverstijgende samenwerking veel op: studenten leren breder kijken, scholen delen expertise en het partnerschap wordt sterker. Tegelijk vraagt het om bewuste keuzes. “Als je wilt dat studenten het hele onderwijsveld leren kennen, moet je over regiogrenzen heen durven kijken,” zegt Manja. “Maar dat kost tijd en energie.” Gert: “Wat ik mooi vind, is dat De Grift ondanks haar kleine schaal sterk staat. De lijnen zijn kort, men kent elkaar, en dat zorgt voor kwaliteit. Dat moeten we vasthouden, ook als een partnerschap groter wordt.”
Windesheim is actief in negen onderwijsregio’s en ziet grote verschillen in tempo en aanpak. Gert: “In sommige regio’s is Samen Opleiden stevig verankerd en leidend voor andere thema’s, in andere regio’s is het nog zoeken. Dat heeft ook te maken met hoe goed het Kwaliteitskader is geland bij bestuurders.” Sommige regio’s werken vanuit gedeelde visie en eigenaarschap; elders overheersen praktische en financiële discussies. “Dat verschil is niet erg,” zegt Gert, “zolang we maar van elkaar leren. We moeten niet streven naar uniformiteit, maar naar gedeelde principes.” Manja herkent dat: “Wij zitten in de periferie van de regio Zwolle. We horen er wel bij, maar het is soms lastig om alles te volgen. We hebben gezegd: we vertrouwen erop dat er goed gekeken wordt in de werkgroepen. Je kunt niet overal aan tafel zitten.”
Als je wilt dat studenten het hele onderwijsveld leren kennen, moet je over regiogrenzen heen durven kijken. Maar dat kost tijd en energie.”
Een belangrijk thema voor de komende jaren is het herontwerp van partnerschappen. In vrijwel alle regio’s, waaronder Zwolle en omstreken en Noorderwijzer, lopen trajecten om te komen tot grootschaligere, toekomstbestendige structuren. Gert: “Er is verwarring over wat ‘herontwerp’ betekent. Partnerschappen verdwijnen niet, maar we gaan naar nieuwe vormen die beter passen bij de onderwijsregio’s. De uitdaging is om het overzicht te behouden en eigenaarschap te behouden bij de mensen die het doen.” Manja ziet de risico’s: “Als het te groot wordt, verlies je herkenbaarheid. In Apeldoorn kennen we elkaar; we kunnen elkaar letterlijk op de fiets bereiken. Dat maakt het werkbaar en menselijk.” Daarom pleiten beiden voor een balans tussen bestuurlijke efficiëntie en nabijheid. “Je kunt het niet alleen vanuit de tekentafel organiseren,” zegt Gert. “Het moet passen bij de praktijk. Anders verdwijnt de energie.”
De rol van Windesheim verandert daarmee. Waar het instituut eerder vooral een coördinerende rol vervulde in de afstemming tussen opleidingsscholen, ontwikkelt het zich nu steeds meer tot een verbindende partner tussen de verschillende onderwijsregio’s, partnerschappen en scholen. “Binnen Windesheimzijn we het relatiebeheer opnieuw aan het inrichten,” vertelt Gert. “Onderwijsmanagers en afstemmingsoverleggen zijn nu gekoppeld aan regio’s in plaats van losse partnerschappen. Dat geeft meer overzicht en maakt het makkelijker om lijnen te leggen.”
Tegelijkertijd verschuift de rol van programmaleiders in het werkveld. Manja: “Ik zie mezelf steeds meer als verbinder: tussen opleidingen, scholen en collega’s. Het is niet alleen organiseren, het is ook het gesprek voeren over wat we belangrijk vinden.” Dat vraagt om andere vaardigheden, zegt Gert. “We moeten nog beter leren schakelen tussen strategische doelen en dagelijkse uitvoering. En we moeten zorgen dat beleidsmatige besluiten begrijpelijk en uitvoerbaar blijven voor iedereen.”
De nieuwe subsidieregeling heeft een onverwacht voordeel opgeleverd: studenten van verschillende instituten kunnen nu gezamenlijk meetellen in partnerschappen. Dat stimuleert samenwerking. “Dat vind ik echt winst,” zegt Gert. “Je werkt met studenten van verschillende hogescholen, maar de begeleiding en leerervaring zijn gedeeld.” Manja beaamt dat: “Voor studenten maakt het niet uit van welk instituut ze komen. Ze willen gewoon goed begeleid worden. Wij zorgen dat ze in dezelfde intervisies en trainingen meedraaien.”
Toch is het niet altijd eenvoudig. “De administratieve afstemming is ingewikkeld,” vertelt Manja. “Soms moet je met drie instituten tegelijk gegevens uitwisselen. Maar inhoudelijk past het juist goed bij de visie van Samen Opleiden: niet denken vanuit muren, maar vanuit wat studenten nodig hebben.” Gert benadrukt dat samenwerking tussen instituten geen uitzondering meer mag zijn. “We leiden allemaal docenten op. De accenten verschillen, maar het doel is hetzelfde: ontwikkelingsgericht opleiden. Laten we daar het gesprek over blijven voeren.”
De omstandigheden veranderen, maar de principes blijven. We blijven opleiden in partnerschap, met oog voor kwaliteit en professionalisering.”
De druk op middelen is voelbaar. Opleiders en programmaleiders hebben minder tijd, terwijl de complexiteit toeneemt. “We zijn een kwart aan uren kwijtgeraakt,” zegt Manja. “Dat merk je direct. Er is minder ruimte voor ontwikkeling, minder uitwisseling.” Gert herkent het beeld in andere regio’s. “Het risico is dat we terugvallen op het oude stagemodel. Juist nu moeten we vasthouden aan het principe dat Samen Opleiden de norm is, en dat verder te verbreden naar samen ontwikkelen en professionaliseren.” Beiden zien kansen in het beter benutten van bestaande structuren. “Gebruik de opbrengsten van peer reviews, de gesprekken over kwaliteit,” zegt Gert. “We moeten slim zijn in hoe we tijd en energie inzetten. Het kwaliteitskader biedt houvast om de goede dingen te blijven doen.”
De komende periode staat in het teken van herontwerp, schaarste en nieuwe samenwerkingen. Gert en Manja blijven ondanks de uitdagingen optimistisch. “De omstandigheden veranderen,” zegt Gert, “maar de principes blijven. We blijven opleiden in partnerschap, met oog voor kwaliteit en professionalisering.” Manja vult aan: “Juist nu moeten we beschermen wat de kern is van Samen Opleiden. De energie zit in de ontmoeting en het samen leren.” Gert besluit: “De komende tijd willen we vooral vasthouden wat werkt en zorgen dat het staat als een huis. Als we blijven verbinden – en de koppeling tussen theorie en praktijk centraal blijven stellen – kunnen we samen verdere stappen zetten.”
> Bekijk alle logboeken in het dossier Samen sterk in onderwijsregio’s.