In deze logboekenreeks volgen we programmaleiders die actief bijdragen aan de ontwikkeling van onderwijsregio’s. In drie opeenvolgende gesprekken delen zij hun ervaringen met veranderende samenwerking, governance en kwaliteitsontwikkeling binnen Samen Opleiden. Zo ontstaat een rijk beeld van hoe partnerschappen zich positioneren in het bredere veld van regionale samenwerking.
In dit derde en laatste gesprek blikt Roos Numan terug op de afgelopen periode. Als teamleider en regiomanager Noord-Holland Noord binnen het domein Onderwijs en Innovatie van Hogeschool Inholland, en als stuurgroeplid en programmaleider bij de NHS, is ze op verschillende niveaus actief betrokken bij twee Onderwijsregio’s. Door deze combinatie van rollen heeft zij een breed en verdiept perspectief op de ontwikkelingen rond Samen Opleiden. In eerdere gesprekken stonden samenwerking en onderling vertrouwen centraal. Dit keer kijken we met Roos naar de huidige stand van zaken, de beweging die op gang is gekomen, en wat deze ontwikkelingen vragen richting de toekomst.
Roos ziet dat er in verschillende regio’s hard gewerkt wordt aan een herontwerp van de plek en rol van Samen Opleiden. Partnerschappen grijpen deze periode aan als kans om de samenwerking opnieuw vorm te geven. “Het is een heel interessante fase, want je ziet partners nu echt samen puzzelen,” vertelt Roos. Ze ervaart dat er steeds vaker bewust ruimte wordt genomen om opnieuw te kijken naar de fundamenten van het partnerschap: wat willen we, wat hebben we nodig, en hoe organiseren we dat op een duurzame manier?
Het is een heel interessante fase, want je ziet partners nu echt samen puzzelen om opnieuw te kijken naar de fundamenten van het partnerschap.”
Volgens Roos zit daar ook de kracht van deze herontwerpfase. Niet alles hoeft direct af te zijn. “Er is ruimte om eerst samen te denken en daarna pas te doen.” Dat betekent niet dat alles vrijblijvend is, maar wel dat partners zich bewust worden van hun gezamenlijke verantwoordelijkheid én invloed. “We zijn niet alleen uitvoerder van een landelijke regeling, we zijn ook eigenaar van een gezamenlijk proces.”
Roos merkt daarbij op dat het denken over de inrichting van Samen Opleiden nog vaak plaatsvindt vanuit beleidsmatige of organisatorische logica. “Terwijl je eigenlijk zou moeten starten vanuit de inhoud en de werkvloer,” zegt ze. “Wat wil je dat een startende leraar leert en meeneemt? Dát zou de kern moeten zijn.” Ze pleit voor het omkeren van het ontwerpproces: niet top-down, maar echt samen met veel aandacht voor het perspectief van de student en de praktijk.
De ruimte om samen te ontwerpen wordt volgens Roos niet alleen bepaald door inhoudelijke ambitie, maar ook door financiële realiteit. De druk op middelen stelt partnerschappen voor lastige keuzes. “Het roept de vraag op: waarin investeren we dan nog wél samen, en wat laten we los?” Ze benoemt dat deze keuzes niet alleen zakelijk zijn, maar ook relationeel: ze vragen om vertrouwen in het proces en in elkaar. Juist in tijden van onzekerheid is het volgens haar belangrijk om koers te houden op gezamenlijke visie.
De rol van hogescholen verandert mee met de herontwerpfase. Waar eerder de focus vooral lag op opleiden en plaatsing, vraagt de huidige context om meer verbindend vermogen. Roos ziet dat lerarenopleidingen vaak een schakelfunctie vervullen tussen de praktijk in scholen en de bredere beleidsmatige ontwikkelingen in de regio. “We moeten soms drie of vier talen tegelijk spreken,” zegt ze, doelend op de verschillende perspectieven van bestuurders, docenten, beleidsmakers en studenten.
Ze benadrukt dat deze verbindende rol niet vanzelfsprekend is. “Het vraagt iets van hoe je als opleiding aanwezig bent in een regio. Niet alleen in formele overleggen, maar ook in de dagelijkse praktijk van scholen.” Roos ziet daarin een groeiende bewustwording en betrokkenheid binnen haar eigen instelling. “We zijn ons meer dan ooit bewust van onze rol als samenwerkingspartner, niet alleen als opleider.”
We moeten meer laten zien wat het concreet betekent voor scholen, opleidingen, studenten en het onderwijs als geheel.”
Roos is betrokken bij meerdere Onderwijsregio’s en merkt dat er steeds meer kruisbestuiving ontstaat. Vanuit de regio’s klinkt een duidelijke wens om de verschillende vormen van Samen Opleiden beter op elkaar af te stemmen. “De partnerschappen zijn daardoor opener geworden. We zijn nieuwsgieriger naar elkaars aanpak.” Die nieuwsgierigheid leidt tot meer uitwisseling en inspiratie, maar ook tot kritische reflectie op het eigen handelen. “Soms zie je pas wat er bij jou anders kan, als je hoort hoe een ander het doet.”
Die uitwisseling is volgens Roos niet alleen waardevol op inhoudelijk vlak, maar ook voor de manier waarop samenwerking en processen zijn ingericht. Ze is dan ook blij met de rol die het Platform Samen Opleiden & Professionaliseren hierin speelt: “Door ontmoeting te faciliteren en ervaringen te bundelen, hoeven we niet allemaal opnieuw het wiel uit te vinden.”
Tegelijkertijd merkt Roos dat het niet altijd eenvoudig is om de waarde van Samen Opleiden over te brengen. Ze ziet het als een gezamenlijke opgave om beter zichtbaar te maken wat partnerschappen opleveren. “We moeten meer laten zien wat het concreet betekent voor scholen, opleidingen, studenten en het onderwijs als geheel. Dat vraagt om het formuleren van een value case in plaats van een sluitende business case.”
De opbrengst zit volgens haar in zaken als kennisontwikkeling, contextbewust handelen en het bevorderen van onderzoekend vermogen bij zowel toekomstige als huidige leraren. “Dat zijn dingen die moeilijk te kwantificeren zijn, maar die we wel ontzettend belangrijk vinden. Juist als de middelen schaars zijn, ontstaat al snel de neiging om alleen te investeren in wat tastbaar en meetbaar is.” Dat levert volgens haar waardevolle gesprekken op over hoe beschikbare middelen het best kunnen worden ingezet. Voor de besluitvorming in het partnerschap bereidt ze daarom verschillende verdeelscenario’s voor, met als uitgangspunt: “geld volgt visie” met een koppeling van middelen aan leerteams in plaats van studentenaantallen.
Een terugkerend thema in het gesprek met Roos is de positie van de werkplek en de beroepsgroep binnen Samen Opleiden. Ze pleit voor een stevigere verankering van het werkplekleren in de manier waarop partnerschappen zijn ingericht. “De praktijk is niet iets waar je studenten alleen naartoe stuurt. Het is een gelijkwaardige leeromgeving,” licht ze toe. Dat betekent volgens haar dat je het onderwijs op de werkplek ook echt samen moet (door)ontwikkelen. “Het heeft weinig meerwaarde als je je beperkt tot het geven van ‘pabo-lessen’ in de praktijk,” zegt Roos. “Er moet ruimte zijn in het programma om de context van de opleidingsschool echt te benutten.”
Daarin schuilt ook een oproep om hogeschooldocenten, schoolopleiders en werkplekbegeleiders nadrukkelijker te betrekken bij het denken over de opzet en kwaliteit van het partnerschap. Roos: “Zij weten als geen ander wat werkt en wat studenten nodig hebben. Hun stem moet leidend zijn.” Partnerschappen zijn volgens haar pas echt krachtig als ze gevoed worden vanuit de praktijk én ondersteund worden door beleid en structuur.
Roos benadrukt het belang van bestuurlijke betrokkenheid bij Samen Opleiden. “Bestuurders bepalen in belangrijke mate het tempo en de richting,” zegt ze. Ze ziet goede voorbeelden van actieve betrokkenheid, maar ook situaties waarin die vooral formeel blijft. “Dan verlies je aan kracht. De verbinding tussen strategisch niveau en werkvloer is essentieel om beweging te houden.”
De praktijk is niet iets waar je studenten alleen naartoe stuurt. Het is een gelijkwaardige leeromgeving.”
In het partnerschap is een mooie kwaliteitscyclus ontwikkeld, maar Roos geeft aan dat deze nog niet overal consequent en van begin tot eind wordt uitgevoerd. De stap van gesprekken op school- en bestuursniveau naar een partnerschapsbrede dialoog krijgt daarom expliciet aandacht. Nieuw is dat besturen een leervraag formuleren die de basis vormt voor een collegiaal ontwikkelbezoek; collega’s van verschillende besturen en de pabo verdiepen die vraag gezamenlijk. De eerste ervaring hiermee was waardevol en wordt dit jaar verbreed. “We leggen dit jaar echt de focus op het uitvoeren van de cyclus, zodat we het gesprek over kwaliteitsverbetering concreet kunnen maken met voorbeelden uit de praktijk.”
Tot slot benadrukt Roos het belang van wendbaarheid. De wereld om ons heen verandert snel, en dat geldt ook voor het onderwijs. Samen Opleiden moet volgens haar niet vastroesten in structuren, maar juist ruimte bieden voor aanpassing en ontwikkeling. “We moeten de moed hebben om af en toe te zeggen: dit werkt niet meer, we gaan het anders doen.” Daarbij hoort ook het nemen van eigenaarschap. Roos ziet dat steeds meer mensen binnen de partnerschappen verantwoordelijkheid nemen en het gesprek voeren over kwaliteit, samenwerking en toekomstbestendigheid. “Dat is niet altijd makkelijk, maar wel noodzakelijk.” De komende periode ligt de focus op het voeren van het kwaliteitsgesprek, het versterken van de ‘value case’ en het structureel intensiveren van de afstemming tussen programmaleiders en teamleiders.
De verbinding tussen strategisch niveau en werkvloer is essentieel om beweging te houden.”
Dit derde gesprek met Roos laat zien hoe Samen Opleiden zich ontwikkelt in een tijd van herontwerp, bestuurlijke beweging en inhoudelijke verdieping. De kracht ligt volgens haar in de verbinding: tussen instellingen, tussen regio’s, en vooral tussen mensen in de praktijk. Met ruimte voor reflectie, aandacht voor werkelijke samenwerking en de bereidheid om te blijven leren van elkaar.
Roos kijkt met trots terug. “Ik zie dat we als Inholland de afgelopen jaren écht zijn gaan staan voor Samen Opleiden. We zijn steeds zichtbaarder geworden als partner in de regio, en hebben constructieve samenwerkingen opgebouwd.” Voor haar persoonlijk schuilt de trots vooral in het gezamenlijk leren. “Dat we met elkaar het gesprek blijven voeren over wat goed opleiden is, dat vind ik het allerbelangrijkste.”